anpassen
an
ˈan
an
passen
pasn
pasn
anfassenanlassen

Definitie en betekenis van "anpassen"in het Duits

anpassen
01

aanpassen

Sein Verhalten oder sich selbst ändern, um besser zu einer Situation oder Umgebung zu passen 
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
an
basiswerkwoord
passen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
passe an
3e persoon enkelvoud
passt an
onvoltooid deelwoord
anpassend
onvoltooid verleden tijd
passte an
voltooid deelwoord
angepasst
Voorbeelden
Neue Mitarbeiter müssen sich oft anpassen. 

Nieuwe medewerkers moeten zich vaak aanpassen.

02

- , -

Voorbeelden
Der Schneider passte den Anzug an. 
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store