Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
épouser
01
met iemand trouwen, in het huwelijk treden met iemand
se marier avec quelqu'un
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
épouse
1e persoon meervoud
épousons
1e persoon toekomende tijd
épouserai
onvoltooid deelwoord
épousant
voltooid deelwoord
épousé
1e persoon meervoud imperfectum
épousions
Voorbeelden
Il va épouser Marie cet été.
Hij gaat deze zomer met Marie trouwen.



























