Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le voisin
[gender: masculine]
01
buur, buurvrouw
personne qui habite près de chez soi
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
voisins
Voorbeelden
Je parle souvent avec ma voisine.
Ik spreek vaak met mijn buurvrouw.
02
buurland, aangrenzend land
pays qui est à côté d'un autre pays
Voorbeelden
Ils vivent dans un pays voisin de la Russie.
Ze wonen in een buurland van Rusland.
03
buur, nabij
personne qui est juste à côté de soi
Voorbeelden
Elle a aidé son voisin dans le bus.
Ze hielp haar buurman in de bus.
voisin
01
naburig, aangrenzend
qui est près ou à côté de quelque chose
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
relationeel
niet gradueerbaar
mannelijk enkelvoud
voisin
mannelijk meervoud
voisins
vrouwelijk enkelvoud
voisine
vrouwelijk meervoud
voisines
Voorbeelden
Les villages voisins partagent les mêmes traditions.
De naburige dorpen delen dezelfde tradities.
02
vergelijkbaar, verwant
qui est proche ou très similaire dans le sens ou la nature
Voorbeelden
Ces idées sont voisines mais pas identiques.
Deze ideeën zijn nabij maar niet identiek.



























