Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vivre
01
leven, bestaan
exister et passer sa vie dans un lieu ou une condition
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
toestandswerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
vis
1e persoon meervoud
vivons
1e persoon toekomende tijd
vivrai
onvoltooid deelwoord
vivant
voltooid deelwoord
vécu
1e persoon meervoud imperfectum
vivions
Voorbeelden
Nous vivons dans une petite maison à la campagne.
We wonen in een klein huis op het platteland.
02
leven, in leven zijn
exister en tant qu'être vivant
Voorbeelden
Elle vit dans un état constant de bonheur.
Ze leeft in een constante staat van geluk.
03
leven, ervaren
passer sa vie ou traverser des expériences particulières
Voorbeelden
Nous avons vécu des moments inoubliables ensemble.
We hebben onvergetelijke momenten samen beleefd.



























