Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
La vie
01
leven, bestaan
état d'un être vivant, depuis la naissance jusqu'à la mort
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
vrouwelijk
meervoudsvorm
vies
Voorbeelden
La vie est pleine de surprises.
Het leven zit vol verrassingen.
02
levensverhaal, biografisch verhaal
récit des événements importants de l'existence de quelqu'un
Voorbeelden
La vie de cette artiste est racontée dans un nouveau livre.
Het leven van deze kunstenaar wordt verteld in een nieuw boek.
03
leven, levensduur
durée pendant laquelle une personne ou un être vivant existe
Voorbeelden
La vie de ce chien a été plus longue que prévu.
Het leven van deze hond was langer dan verwacht.
04
levenskracht, energie
énergie et dynamisme d'une personne ou d'un lieu
Voorbeelden
La vie de cette ville attire beaucoup de jeunes.
Het leven van deze stad trekt veel jongeren aan.



























