Le veau
[gender: masculine]
01
kalf, kalfje
petit de la vache
Voorbeelden
Un veau est né cette nuit dans la ferme.
Een kalf werd vannacht op de boerderij geboren.
02
kalfsvlees, vlees van jong rund
viande provenant du jeune bovin
Voorbeelden
Le chef prépare un plat à base de veau.
De chef bereidt een gerecht op basis van kalfsvlees.
03
wrak, oude bak
voiture vieille ou en mauvais état
Voorbeelden
Le veau de mon voisin fait un bruit terrible.
De oude auto van mijn buurman maakt een vreselijk lawaai.



























