Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
sécher
01
spijbelen, verzuimen
ne pas assister volontairement à quelque chose (cours, réunion)
Voorbeelden
Beaucoup d' élèves sèchent les cours le vendredi après-midi.
Veel leerlingen spijbelen de lessen op vrijdagmiddag.
02
drogen
enlever l'eau ou l'humidité de quelque chose
Voorbeelden
Tu dois sécher la vaisselle avant de la ranger.
Je moet het servies drogen voordat je het opruimt.
03
zich afdrogen, zich droog wrijven
enlever l'eau ou l'humidité de son corps ou de ses vêtements
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
être
1e persoon enkelvoud
sèche
1e persoon meervoud
séchons
1e persoon toekomende tijd
sécherai
onvoltooid deelwoord
séchant
voltooid deelwoord
séché
1e persoon meervoud imperfectum
séchions
Voorbeelden
Nous nous séchons rapidement pour ne pas attraper froid.
We drogen ons snel af om geen verkoudheid op te lopen.



























