Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
siffler
01
fluiten, fluiten (met een fluitje)
produire un son aigu avec la bouche ou un sifflet
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
siffle
1e persoon meervoud
sifflons
1e persoon toekomende tijd
sifflerai
onvoltooid deelwoord
sifflant
voltooid deelwoord
sifflé
1e persoon meervoud imperfectum
sifflions
Voorbeelden
Le vent siffle à travers les fenêtres.
De wind fluit door de ramen.



























