La santé
[gender: feminine]
01
gezondheid, welzijn
état de bien-être physique et mental, absence de maladie
Voorbeelden
Après la maladie, elle a retrouvé sa santé.
Na de ziekte heeft ze haar gezondheid teruggekregen.
santé
01
Proost!, Op je gezondheid!
formule utilisée pour porter un toast ou souhaiter le bien-être de quelqu'un
Voorbeelden
Santé à tous les mariés !
Gezondheid aan alle pasgetrouwden.



























