réchauffer
01
opwarmen, weer opwarmen
chauffer à nouveau un aliment déjà cuit
Voorbeelden
Tu peux réchauffer ce plat au micro-ondes ?
Kun je dit gerecht in de magnetron opwarmen?
02
weer tot leven brengen, nieuwe energie geven
redonner de l'énergie ou de l'enthousiasme
Voorbeelden
Son sourire réchauffe toujours l' atmosphère.
Haar glimlach verwarmt altijd de sfeer.
03
opwarmen, verwarmen
devenir ou se rendre plus chaud
Voorbeelden
Les athlètes se réchauffent avant la course.
De atleten warmen zich op voor de race.



























