rester
01
blijven, verblijven
demeurer à un endroit, ne pas partir
Voorbeelden
Nous restons chez nos amis pour le week - end.
Wij blijven bij onze vrienden voor het weekend.
02
blijven, verblijven
ne pas changer d'état ou de situation
Voorbeelden
Le temps reste froid toute la semaine.
Het weer blijft de hele week koud.



























