précipiter
01
zich haasten, zich spoeden
se jeter rapidement ou brusquement quelque part
Voorbeelden
Les enfants se sont précipités vers les cadeaux.
De kinderen stormden naar de cadeaus.
02
zich haasten, zich storten
courir vite en faisant des petits pas
Voorbeelden
Il se précipite toujours quand il entend sonner le réveil.
Hij haast zich altijd wanneer hij de wekker hoort afgaan.



























