Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
profiter
01
profiteren, gebruikmaken van
tirer avantage ou bénéfice de quelque chose
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
profite
1e persoon meervoud
profitons
1e persoon toekomende tijd
profiterai
onvoltooid deelwoord
profitant
voltooid deelwoord
profité
1e persoon meervoud imperfectum
profitions
Voorbeelden
J' ai profité de l' occasion pour lui parler.
Ik heb van de gelegenheid gebruikgemaakt om met hem te praten.



























