Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
poncer
01
schuren, glad maken met schuurpapier
rendre une surface lisse à l'aide d'un abrasif
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
ponce
1e persoon meervoud
ponçons
1e persoon toekomende tijd
poncerai
onvoltooid deelwoord
poncant
voltooid deelwoord
poncé
1e persoon meervoud imperfectum
poncions
Voorbeelden
Nous avons passé l' après-midi à poncer les portes.
We hebben de middag besteed aan het schuren van de deuren.



























