Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
naviguer
01
varen, zeilen
conduire ou diriger un bateau, un navire ou un autre type d'embarcation sur l'eau
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
bewegingswerkwoord
onscheidbaar
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
navigue
1e persoon meervoud
naviguons
1e persoon toekomende tijd
naviguerai
onvoltooid deelwoord
naviguant
voltooid deelwoord
navigué
1e persoon meervoud imperfectum
naviguions
Voorbeelden
Nous avons navigué entre les îles de la Bretagne.
We hebben gevaren tussen de eilanden van Bretagne.
02
surfen, verkennen
se déplacer d'une page à une autre sur Internet pour trouver des informations ou explorer du contenu
Voorbeelden
Il aime naviguer sur les réseaux sociaux.
Hij houdt ervan om op sociale media te surfen.



























