Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le mot
01
woord, vocabel
élément de vocabulaire , écrit ou prononcé, qui a un sens dans une langue
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
mots
Voorbeelden
Elle a appris un nouveau mot en français aujourd'hui.
Ze heeft vandaag een nieuw woord in het Frans geleerd.
02
grap, mop
une remarque drôle ou plaisante
Voorbeelden
Il a raconté un mot qui a fait rire tout le monde.
Hij vertelde een grap die iedereen aan het lachen maakte.
03
woord, uitdrukking
une unité de langage, un mot ou une expression
Voorbeelden
Ses mots sont toujours pleins de sagesse.
Zijn woorden zijn altijd vol wijsheid.
04
notitie, bericht
un petit message écrit ou une note
Voorbeelden
Elle m'a laissé un mot sur la table.
Ze heeft me een berichtje op tafel achtergelaten.
05
citaat, fragment
ce qui est rapporté ou cité d'une personne, un extrait de parole ou d'écrit
Voorbeelden
Il a écrit un mot de Victor Hugo dans son journal.
Hij schreef een citaat van Victor Hugo in zijn dagboek.



























