Le mois
[gender: masculine]
01
maand
période de temps d'environ 30 jours, une des douze parties de l'année
Voorbeelden
Nous partons en voyage dans deux mois.
We gaan over twee maanden op reis.
02
maandsalaris, maandelijkse bezoldiging
salaire versé une fois par mois
Voorbeelden
Le mois des employés est versé par virement bancaire.
Het maandloon van de werknemers wordt per bankoverschrijving betaald.
03
maandelijkse huur, maandhuur
paiement mensuel pour la location d'un logement
Voorbeelden
Le propriétaire augmente le mois chaque année.
De eigenaar verhoogt de maand elk jaar.



























