Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le mal
01
pijn, lijden
sensation désagréable dans le corps ou l'esprit
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
geslacht
mannelijk
Voorbeelden
Le médecin a soigné le mal du patient.
De dokter behandelde de pijn van de patiënt.
02
kwaad, boosheid
ce qui est moralement mauvais, nuisible ou néfaste
Voorbeelden
Nous devons lutter contre le mal.
We moeten tegen het kwaad vechten.
03
schade, kwaad
préjudice, dommage ou blessure causé à quelqu'un ou quelque chose
Voorbeelden
Les produits chimiques peuvent faire du mal à la santé.
Chemicaliën kunnen schade toebrengen aan de gezondheid.
04
ziekte, aandoening
affection physique ou maladie
Voorbeelden
Elle consulte un médecin pour son mal.
Ze raadpleegt een arts voor haar ziekte.
05
moeilijkheid, lijden
difficulté, épreuve ou situation pénible
Voorbeelden
Elle a surmonté le mal avec courage.
Ze overwon het leed met moed.
mal
01
slecht, verkeerd
indique que quelque chose est fait de manière incorrecte ou mauvaise
grammaticale informatie
niet vergelijkbaar
Voorbeelden
J' ai dormi mal cette nuit.
Ik heb vannacht slecht geslapen.
01
slecht, onjuist
qui n'est pas bon, mauvais ou incorrect
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
le plus mal
vergrotende trap
plus mal
gradueerbaar
mannelijk enkelvoud
mal
mannelijk meervoud
mal
vrouwelijk enkelvoud
mal
vrouwelijk meervoud
mal
Voorbeelden
Elle se sent mal aujourd'hui.
Ze voelt zich vandaag slecht.



























