Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
La maison
01
huis, woning
bâtiment où vivent une ou plusieurs personnes
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
vrouwelijk
meervoudsvorm
maisons
Voorbeelden
Nous habitons dans une grande maison avec jardin.
We wonen in een groot huis met een tuin.
02
gezin, huishouden
les habitants d'un même foyer, une famille ou les membres d'un même groupe domestique
Voorbeelden
Toute la maison s'est réveillée en même temps.
Het hele huis werd tegelijkertijd wakker.
03
bedrijf, firma
entreprise, société commerciale, ou bureau professionnel
Voorbeelden
Elle travaille dans une grande maison de couture.
Ze werkt in een groot modehuis.
maison
01
zelfgemaakt, thuis gemaakt
qui appartient à la maison ou à la famille, ou qui se fait chez soi
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
relationeel
niet gradueerbaar
mannelijk enkelvoud
maison
mannelijk meervoud
maison
vrouwelijk enkelvoud
maison
vrouwelijk meervoud
maison
Voorbeelden
Ce gâteau est une recette maison.
Deze taart is een zelfgemaakt recept.



























