Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
limer
01
vijlen, met een vijl bewerken
façonner ou polir une surface dure avec une lime
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
lime
1e persoon meervoud
limons
1e persoon toekomende tijd
limerai
voltooid deelwoord
limé
1e persoon meervoud imperfectum
limions
Voorbeelden
Ils limaient les bords du tuyau toute la matinée.
Ze vijlden de randen van de buis de hele ochtend.
02
vijlen, zich de nagels vijlen
polir ou raccourcir ses ongles
Voorbeelden
Je me suis limé les ongles avant le rendez-vous.
Ik heb mijn nagels gevijld voor de afspraak.



























