Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
L'esprit
01
geest, ziel
la partie immatérielle d'une personne ou d'un être
Voorbeelden
Les anciens pensaient que l' esprit pouvait voyager.
De ouden dachten dat de geest kon reizen.
02
geest, verstand
la capacité de penser ou de raisonner
Voorbeelden
Il faut exercer l' esprit pour rester intelligent.
Je moet de geest trainen om intelligent te blijven.
03
gemoedstoestand, humor
l'état d'humeur ou la disposition d'une personne
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
Voorbeelden
Nous devons garder l' esprit positif malgré les difficultés.
We moeten een positieve geest behouden ondanks de moeilijkheden.



























