Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
déménager
01
verhuizen, van woonplaats veranderen
changer de logement ou de lieu de résidence
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
déménage
1e persoon meervoud
déménageons
1e persoon toekomende tijd
déménagerai
onvoltooid deelwoord
déménageant
voltooid deelwoord
déménagé
1e persoon meervoud imperfectum
déménagions
Voorbeelden
Ils doivent déménager avant la fin du mois.
Ze moeten voor het einde van de maand verhuizen.
02
verhuizen
déplacer quelque chose d'un endroit à un autre
Voorbeelden
Ils vont déménager les cartons dans le garage.
Zij gaan de dozen naar de garage verhuizen.
03
gek worden, zijn verstand verliezen
agir de manière folle ou désordonnée, perdre le contrôle
Voorbeelden
Elle a un peu déménagé quand elle a entendu ça.
Ze verloor een beetje haar zelfbeheersing toen ze dat hoorde.



























