Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
démarrer
01
starten, beginnen
commencer une activité, un projet, ou une action
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
démarre
1e persoon meervoud
démarrons
1e persoon toekomende tijd
démarrerai
onvoltooid deelwoord
démarrant
voltooid deelwoord
démarré
1e persoon meervoud imperfectum
démarrions
Voorbeelden
Elle a démarré son entreprise en 2020.
Ze heeft haar bedrijf in 2020 gestart.
02
starten, aanzetten
commencer à fonctionner ou à se déplacer (pour un véhicule ou machine)
Voorbeelden
La voiture ne veut pas démarrer ce matin.
De auto wil vanmorgen niet starten.



























