Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
La dent
01
tand, tand (enkelvoud)
partie dure dans la bouche utilisée pour mordre et mâcher
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
vrouwelijk
meervoudsvorm
dents
Voorbeelden
J'ai mal à une dent.
Ik heb pijn aan een tand.
02
tand, tand van een tandwiel
petite partie pointue sur un outil ou une roue dentée
Voorbeelden
La roue a plusieurs dents en métal.
Het wiel heeft verschillende tanden van metaal.



























