Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Le conjoint
01
echtgenoot/echtgenote, partner
personne mariée ou en couple avec quelqu'un
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
mens
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
conjoints
Voorbeelden
Son conjoint travaille dans une banque.
Haar echtgenoot werkt in een bank.



























