chuter
01
instorten, duikelen
baisser brutalement (pour une température ou un phénomène météo)
Voorbeelden
Sa fièvre a chuté après la prise de médicaments.
Haar koorts daalde sterk na het innemen van medicijnen.
02
instorten, plotseling dalen
diminuer de manière soudaine et importante (chiffres, réputation)
Voorbeelden
Le taux de chômage a chuté ce trimestre.
Het werkloosheidspercentage is dit kwartaal gedaald.



























