Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
La chair
01
vlees, vleesweefsel
tissu musculaire et graisseux qui recouvre les os
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
vrouwelijk
Voorbeelden
Il a blessé la chair de son bras en tombant.
Hij verwondde het vlees van zijn arm bij het vallen.
02
vlees, menselijke natuur
nature humaine, corporelle ou désirs physiques
Voorbeelden
Les désirs de la chair peuvent parfois être dangereux.
De verlangens van het vlees kunnen soms gevaarlijk zijn.



























