La bouche
[gender: feminine]
01
mond, mondje
partie du visage qui sert à parler, manger et respirer
Voorbeelden
Il a mis sa main devant la bouche en bâillant.
Hij legde zijn hand voor zijn mond terwijl hij gaapte.
02
mond, ingang
ouverture ou entrée d'un espace, comme une grotte ou un tunnel
Voorbeelden
La bouche du tunnel est protégée par une grille.
De opening van de tunnel wordt beschermd door een rooster.
03
mond om te voeden, persoon om te onderhouden
personne qu'on doit nourrir ou entretenir
Voorbeelden
Cette aide permet de nourrir plusieurs bouches.
Deze hulp maakt het mogelijk meerdere monden te voeden.



























