Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
La bouche
01
mond, mondje
partie du visage qui sert à parler, manger et respirer
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
vrouwelijk
meervoudsvorm
bouches
Voorbeelden
Elle a ouvert la bouche pour chanter.
Ze opende haar mond om te zingen.
02
mond, ingang
ouverture ou entrée d'un espace, comme une grotte ou un tunnel
Voorbeelden
La bouche de la grotte est très étroite.
De opening van de grot is erg smal.
03
mond om te voeden, persoon om te onderhouden
personne qu'on doit nourrir ou entretenir
Voorbeelden
Il a cinq bouches à nourrir à la maison.
Hij heeft vijf monden te voeden thuis.



























