Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
blesser
01
kwetsen, verwonden
faire mal à quelqu'un en provoquant une blessure
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
blesse
1e persoon meervoud
blessons
1e persoon toekomende tijd
blesserai
onvoltooid deelwoord
blessant
voltooid deelwoord
blessé
1e persoon meervoud imperfectum
blessions
Voorbeelden
Le chien a blessé le facteur hier.
De hond verwondde de postbode gisteren.
02
zichzelf verwonden, zichzelf bezeren
faire mal à soi-même en provoquant une blessure
Voorbeelden
Fais attention pour ne pas te blesser!
Wees voorzichtig om jezelf niet te blesseren.
03
kwetsen, blesseren
faire souffrir quelqu'un moralement ou affectivement
Voorbeelden
Ce comportement peut blesser les autres.
Dit gedrag kan anderen kwetsen.



























