Le beau-père
[gender: masculine]
01
schoonvader, vader van de echtgenoot
père de son mari ou de sa femme
Voorbeelden
Son beau-père aime le jardinage.
Zijn schoonvader houdt van tuinieren.
02
stiefvader, stiefvader
mari de sa mère, qui n'est pas son père biologique
Voorbeelden
Son beau-père est très strict.
Haar stiefvader is erg streng.



























