Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
attaquer
01
aanvallen, bestormen
aller contre quelqu'un ou quelque chose pour lui faire du mal
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
attaque
1e persoon meervoud
attaquons
1e persoon toekomende tijd
attaquerai
onvoltooid deelwoord
attaquant
voltooid deelwoord
attaquƩ
1e persoon meervoud imperfectum
attaquions
Voorbeelden
Il a attaquƩ l' homme sans raison.
Hij viel de man zonder reden aan.
02
aanpakken, beginnen met het oplossen van
commencer Ć essayer de faire quelque chose de difficile
Voorbeelden
Elle a décidé de s' attaquer à ses peurs.
Ze besloot haar angsten aan te vallen.
03
beginnen, aanvangen
commencer une action ou un travail, souvent difficile
Voorbeelden
Elle s' attaque enfin à l' écriture de son roman.
Ze pakt eindelijk het schrijven van haar roman aan.



























