Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
anticiper
01
vervroegen
faire ou préparer quelque chose avant le moment prévu
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
hulpwerkwoord
avoir
1e persoon enkelvoud
anticipe
1e persoon meervoud
anticipons
1e persoon toekomende tijd
anticiperai
onvoltooid deelwoord
anticipant
voltooid deelwoord
anticipé
1e persoon meervoud imperfectum
anticipions
Voorbeelden
J'ai anticipé mon travail pour finir avant le weekend.
Ik heb mijn werk vervroegd gedaan om voor het weekend klaar te zijn.



























