L'affaire
[gender: feminine]
01
taak, zaak
chose dont on doit s'occuper
Voorbeelden
Chaque jour apporte une nouvelle affaire à gérer.
Elke dag brengt een nieuwe aangelegenheid om te behandelen.
02
kwestie, probleem
situation difficile ou embrouillée
Voorbeelden
Toute l' affaire a causé beaucoup de stress.
De hele kwestie veroorzaakte veel stress.
03
zaak, overeenkomst
opération d'achat ou de vente, ou accord conclu
Voorbeelden
Il cherche toujours la meilleure affaire.
Hij zoekt altijd naar de beste deal.
04
onderwerp, kwestie
ce dont on parle ou ce qui fait l'objet d'une discussion
Voorbeelden
L' affaire du jour sera discutée en réunion.
De kwestie van de dag zal in de vergadering worden besproken.
05
zaak, geval
affaire portée devant la justice ou scandale criminel
Voorbeelden
L' avocat prépare l' affaire depuis des semaines.
De advocaat bereidt de zaak al weken voor.
06
bedrijf, zaak
activité professionnelle pour gagner de l'argent
Voorbeelden
Ils ont vendu leur affaire l' an dernier.
Ze hebben hun bedrijf vorig jaar verkocht.



























