Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
estremecer
01
doen trillen, schudden
hacer temblar algo o a alguien por frío, miedo, emoción o fuerza
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
estremezco
3e persoon enkelvoud
estremece
onvoltooid deelwoord
estremeciendo
onvoltooid verleden tijd
estremeció
voltooid deelwoord
estremecido
Voorbeelden
El viento estremeció los árboles.
De wind deed de bomen beven.
02
schrikken, rillen
hacer un movimiento involuntario por miedo sorpresa dolor o disgusto
Voorbeelden
Se estremeció al escuchar el grito.
Hij schrok toen hij de schreeuw hoorde.



























