Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
desnudar
01
uitkleden, ontkleden
quitarle la ropa a alguien o a algo
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
desnudo
3e persoon enkelvoud
desnuda
onvoltooid deelwoord
desnudando
onvoltooid verleden tijd
desnudó
voltooid deelwoord
desnudado
Voorbeelden
Desnudaron el árbol de Navidad el 6 de enero.
Ze ontkleedden de kerstboom op 6 januari.
02
trekken, uit de schede halen
sacar una espada u otra arma blanca de su vaina
Voorbeelden
En la película, el héroe desnuda su arma justo a tiempo.
In de film trekt de held zijn wapen net op tijd.



























