Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
descender
01
dalen, afdalen
ir o moverse hacia abajo desde un lugar o posición más alta
Voorbeelden
El grupo descendió de la montaña al atardecer.
De groep daalde bij zonsondergang van de berg.
02
dalen, afnemen
disminuir en cantidad, nivel o intensidad
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
desciendo
3e persoon enkelvoud
desciende
onvoltooid deelwoord
descendiendo
onvoltooid verleden tijd
descendió
voltooid deelwoord
descendido
Voorbeelden
El número de visitantes descendió rápidamente.
Het aantal bezoekers daalde snel.



























