Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
corresponder
01
overeenkomen
tener relación o equivalencia con algo
Voorbeelden
Sus respuestas no corresponden a la pregunta.
Zijn antwoorden corresponderen niet met de vraag.
02
vergelden
devolver algo a alguien como gratitud o justicia
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
correspondo
3e persoon enkelvoud
corresponde
onvoltooid deelwoord
correspondiendo
onvoltooid verleden tijd
correspondió
voltooid deelwoord
correspondido
Voorbeelden
Él siempre corresponde la ayuda que recibe.
Hij beantwoordt altijd de hulp die hij ontvangt.
03
vergelden, wederkeren
devolver el afecto o amor que alguien te da
Voorbeelden
Se corresponden mutuamente con cariño.
Ze beantwoorden elkaar wederzijds met genegenheid.



























