Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
chillar
01
schreeuwen, gillen
gritar fuerte o emitir un sonido agudo
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
chillo
3e persoon enkelvoud
chilla
onvoltooid deelwoord
chillando
onvoltooid verleden tijd
chilló
voltooid deelwoord
chillado
Voorbeelden
El bebé empezó a chillar en la tienda.
De baby begon te schreeuwen in de winkel.
02
schreeuwen
llorar fuerte o ruidosamente
Voorbeelden
El niño chillaba porque se cayó.
Het kind schreeuwde omdat het gevallen was.
03
schreeuwen, gillen
que algo no combina o no armoniza
Voorbeelden
Ese color chilla con tu vestido.
Die kleur schreeuwt met je jurk.



























