Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
brincar
01
springen, huppelen
moverse hacia arriba y hacia adelante o hacia atrás en el aire
Voorbeelden
Me gusta brincar en los charcos cuando llueve.
Ik hou ervan om in plassen te springen als het regent.
02
huppelen
moverse sobre una sola pierna levantando el cuerpo del suelo
Voorbeelden
Brinca alegremente mientras juega en el parque.
Hij huppelt vrolijk terwijl hij in het park speelt.



























