Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
El bombo
01
grote trom, bastrom
un tambor grande y profundo que se toca con una maza y se usa en bandas y orquestas
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
bombos
Voorbeelden
El baterista usa el pedal para tocar el bombo.
De drummer gebruikt het pedaal om de bassdrum te bespelen.
02
loterijtrommel, lotingswiel
una rueda o tambor giratorio grande, usado en sorteos o rifas
Voorbeelden
El bombo de la rifa está lleno de papeletas.
De trommel van de loterij zit vol met loten.
03
buik, buikje
el vientre o panza grande y abultada
Voorbeelden
Con la edad, le salió un bombo.
Met de leeftijd kreeg hij een bombo.



























