Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Aparato
01
apparaat, toestel
objeto o máquina diseñado para realizar una función específica
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
geslacht
mannelijk
meervoudsvorm
aparatos
Voorbeelden
Compré un aparato para hacer café.
Ik heb een apparaat gekocht om koffie te zetten.
02
telefoon, vaste telefoon
teléfono, en especial el de línea fija
Voorbeelden
Ese aparato ya no sirve.
Dat apparaat werkt niet meer.
03
uitrusting, apparaat
instrumento o implemento usado para practicar deportes
Voorbeelden
La competencia requiere diferentes aparatos.
De wedstrijd vereist verschillende apparaten.
04
apparaat, spalk
dispositivo que se usa para corregir o soportar una parte del cuerpo
Voorbeelden
El paciente usa un aparato en la rodilla.
De patiënt gebruikt een apparaat op de knie.



























