Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
abordar
01
behandelen, aanpakken
tratar o encargarse de un tema, problema o situación
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
1e persoon enkelvoud
abordo
3e persoon enkelvoud
aborda
onvoltooid deelwoord
abordando
onvoltooid verleden tijd
abordó
voltooid deelwoord
abordado
Voorbeelden
El profesor abordó el tema en clase.
De leraar behandelde het onderwerp in de klas.
02
benaderen, naderen
acercarse físicamente a una persona, un lugar o un medio de transporte
Voorbeelden
Cuando el barco abordó el puerto, empezó el desembarque.
Toen het schip de haven naderde, begon het ontschepen.
03
instappen, aan boord gaan
entrar o subir a un medio de transporte
Voorbeelden
Los turistas abordaron el autobús frente al hotel.
De toeristen stapten in de bus voor het hotel.



























