Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
invadir
01
overweldigen, vullen
llenar o dominar los sentimientos de alguien de manera intensa
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
invado
3e persoon enkelvoud
invade
onvoltooid deelwoord
invadiendo
onvoltooid verleden tijd
invadí
voltooid deelwoord
invadido
Voorbeelden
La emoción lo invadió al recibir el premio.
De emotie overviel hem toen hij de prijs ontving.
02
binnenvallen
entrar por la fuerza en un lugar y ocuparlo sin permiso
Voorbeelden
Los piratas solían invadir las costas en el pasado.
Piraten vielen vroeger de kusten aan in het verleden.



























