Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
ingresar
[past form: ingresé][present form: ingreso]
01
storten, deponeren
poner dinero en una cuenta bancaria o entrar en un lugar
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
ingreso
3e persoon enkelvoud
ingresa
onvoltooid deelwoord
ingresando
onvoltooid verleden tijd
ingresé
voltooid deelwoord
ingresado
Voorbeelden
Necesito ingresar el cheque antes del viernes.
02
toetreden, lid worden
entrar o ser aceptado en un grupo, institución o entidad
Voorbeelden
Él ingresó en la policía después de aprobar las pruebas.
Hij trad toe tot de politie na het behalen van de tests.
03
opnemen in het ziekenhuis
llevar o ser llevado a un hospital para recibir tratamiento y permanecer en él
Voorbeelden
Después del accidente, ingresó en la unidad de cuidados intensivos.
Na het ongeval werd hij op de intensive care opgenomen.



























