Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
herir
[past form: herí][present form: hiero]
01
kwetsen
causar una herida o daño físico a alguien
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
hiero
3e persoon enkelvoud
hiere
onvoltooid deelwoord
hiriendo
onvoltooid verleden tijd
herí
voltooid deelwoord
herido
Voorbeelden
La caída hirió su pierna izquierda.
De val verwondde zijn linkerbeen.
02
kwetsen
causar dolor o daño emocional a alguien
Voorbeelden
No me hieras con tus insultos.
Kwets me niet met je beledigingen.



























