Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
convivir
[past form: conviví][present form: convivo]
01
samenleven, samenwonen
vivir juntos o compartir el mismo espacio
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
samenstelling
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
convivo
3e persoon enkelvoud
convive
onvoltooid deelwoord
conviviendo
onvoltooid verleden tijd
conviví
voltooid deelwoord
convivido
Voorbeelden
Convivir en armonía es fundamental para la paz.
Samenleven in harmonie is fundamenteel voor vrede.



























