Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
soplar
01
blazen
exhalar aire por la boca o hacer que el viento se mueva
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
soplo
3e persoon enkelvoud
sopla
onvoltooid deelwoord
soplando
onvoltooid verleden tijd
soplé
voltooid deelwoord
soplado
Voorbeelden
Los niños soplaron para hacer volar la cometa.
De kinderen bliezen om de vlieger te laten vliegen.
02
blazen, waaien
mover el aire o el viento con fuerza o suavidad
Voorbeelden
El viento soplaba durante toda la noche.
De wind blies de hele nacht.



























