Zoeken
trocear
[past form: troceé][present form: troceo]
01
hakken, in stukken snijden
cortar algo en pedazos o trozos pequeños
Voorbeelden
Trocea el pan para hacer croutons.
Snijd het brood in stukken om croutons te maken.
Zoeken
hakken, in stukken snijden