Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
El tiempo
01
tijd
duración de los hechos o de la existencia de algo
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
geslacht
mannelijk
Voorbeelden
No tengo tiempo para salir hoy.
Ik heb geen tijd om vandaag uit te gaan.
02
weer
conjunto de condiciones atmosféricas de un lugar
Voorbeelden
Hoy hace buen tiempo.
Vandaag is het mooi weer.
03
ogenblik, moment
instante o punto corto en que ocurre algo
Voorbeelden
En ese tiempo no sabía nada.
Op dat moment wist ik niets.
04
tijdperk, periode
época o periodo histórico determinado
Voorbeelden
Fue un gran inventor en su tiempo.
Hij was een groot uitvinder in zijn tijd.
05
helft
una de las dos partes iguales en que se divide un partido
Voorbeelden
El primer tiempo terminó sin goles.
De eerste helft eindigde zonder doelpunten.



























