Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
traer
[past form: traje][present form: traigo]
01
brengen
llevar algo hacia el lugar donde está la persona que habla
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
traigo
3e persoon enkelvoud
trae
onvoltooid deelwoord
trayendo
onvoltooid verleden tijd
traje
voltooid deelwoord
traído
Voorbeelden
Voy a traer comida para la fiesta.
Ik ga eten voor het feest meenemen.
02
dragen
llevar puesta ropa, accesorios u objetos sobre el cuerpo
Voorbeelden
Siempre trae zapatos cómodos.
Ze draagt altijd comfortabele schoenen.
03
dragen
llevar algo consigo o tenerlo en la mano o en el cuerpo
Voorbeelden
Siempre traigo agua en mi bolsa.
Ik breng altijd water in mijn tas mee.



























